Hartfalen bij diabetes mellitus: wat is de invloed op hartfalen van het gebruik van verschillende klassen van glucoseverlagende middelen bij mensen met type 2 diabetes mellitus?

Uitgegeven: 14-03-2018

Prof.dr. H.J.G. Bilo
FRCP



Recent verscheen in Heart Failure Reviews een fraai en kort overzichtsartikel van Terlizzese et al met betrekking tot de invloed van glucoseverlagende middelen (met uitzondering van insuline) op het ontstaan en het beloop van hartfalen.

Zeker bij mensen met type 2 diabetes mellitus (T2DM) is de kans op hart- en vaatziekten in vergelijking met de mensen zonder diabetes beduidend verhoogd, ook al is er een duidelijke neerwaartse trend in morbiditeit en mortaliteit, in ieder geval ook in Nederland.

Bij deze hogere frequentie geldt, dat dit ook het geval is voor hartfalen, met een relatief risico dat negen keer zo hoog is op middelbare leeftijd, en bijna tweemaal zo hoog op oudere leeftijd (1,2).
De in het Heart Failure Reviews gerapporteerde gegevens borduren onder andere voort op een overzichtsartikel, dat in 2015 in The Lancet is gepubliceerd (3).

Eén van de manieren, om de kans op cardiovasculaire problemen inclusief hartfalen zo klein mogelijk te maken (naast uiteraard de bekende maatregelen als een gezonde leefstijl en een adequate behandeling van een verhoogde bloeddruk en vetspectrumafwijkingen), is een zo goed mogelijke glucosecontrole.

Daarbij blijkt de laatste jaren, dat de verschillende klassen van glucoseverlagende medicatie ook een verschillende invloed kunnen hebben op het cardovasculaire risico. Daarbij is de beschikbare informatie per klasse sterk wisselend, ook al omdat met name de meest recent geïntrodudeerde medicatie onderzoek heeft gezien gericht op cardovasculaire eindpunten.
Na de ophef aangaande de negatieve cardiovasculaire effecten van het rosiglitazon werd uiteindelijk door de FDA onderzoek van de effecten van glucoseverlagende middelen op cardiovasculaire uitkomstmaten verplicht gesteld (4).

Terlizzese et al hebben een overzichtelijke tabel gemaakt met betrekking tot de effecten van de verschillende klassen. In het onderstaande staat hiervan een samenvatting zonder de literatuurverwijzingen. Voor deze verwijzingen: zie link. Binnen die tabel zijn door de auteur van dit stuk modificaties aangebracht, gemarkeerd door een *, als er naar de mening van de auteur van deze kleine samenvatting andere literatuur ter beschikking is die een ander standpunt ondersteunt dan door Terlizzese et al wordt gehuldigd. Literatuur op aanvraag.



In theorie kan natuurlijk nu vanuit het perspectief van het al dan niet optreden van hartfalen een indeling worden gemaakt van de bovenstaande medicatie met een driedeling in glucoseverlagende medicatie, die gusntige effecten heeft (lijkt te hebben) op cardiovasculaire uitkomstmaten, glucoseverlagende medicatie die neutrale effecten lijkt te hebben, en glucoseverlagende medicatie, die negatieve effecten heeft (lijkt te hebben).

Echter, daarmee is het verhaal niet compleet. Door één aandoening (het hartfalen) te verbijzonderen, kan het zijn, dat de mens als geheel min of meer uit het oog wordt verloren. Er moet niet alleen worden gekeken naar hartfalen als leidraad voor de keuze, maar kan het ook zo zijn dat andere aandoeningen meer frequent voorkomen bij gebruik van één van de bovengenoemde medicamenten. Zonder aan specifieke medicamenten kwalificaties en kwantificaties te verbinden moet daarbij bijvoorbeeld gedacht worden aan de kansen op bijvoorbeeld pancreatitis, blaascarcinoom, en ernstige maag-darmklachten.

Een speciaal laatste punt voor de  potentieel zeer interessante groep van de SGLT-2 remmers: hoewel de resultaten van de gerandomiseerde en cohortanalyses tot nu toe geruststellend tot gunstig zijn wat betreft de cardiovasculaire uitkomsten (eigenlijk "positieve bijwerkingen"), is het op dit moment nog onvoldoende duidelijk wat de lange termijn negatieve bijwerkingen (zoals bijvoorbeeld amputatiekans, ketoacidose en infectierisico) zijn en welke impact die bijwerkingen hebben in het uiteindelijke veiligheidsprofiel. Dit betekent niet, dat daarmee de potentiële nadelen de potentiële voordelen op voorhand overheersen, maar het zal waarschijnlijk nog – net als bij de andere klassen medicamenten het geval is geweest – enige tijd duren voordat zich op dat gebied een duidelijk beeld heeft uitgekristalliseerd.

Referenties
  1. Beckman JA, Creager MA, Libby P (2002) Diabetes and atherosclerosis: epidemiology, pathophysiology, and management. JAMA 287:2570–2581
  2. Nichols GA, Gullion CM, Koro CE, Ephross SA, Brown JB (2004). The incidence of congestive heart failure in type 2 diabetes: an update. Diabetes Care 27:1879–1884
  3. Gilbert RE, Krum H (2015) Heart failure in diabetes: effects of antihyperglycaemic drug therapy. Lancet 385:2107–2117
  4. FDA. Guidance for industry: diabetes mellitus-evaluating cardiovascular risk in new antidiabetic therapies to treat type 2 diabetes. 

« Vorige pagina