Ritmestoornissen op het ESC

Uitgegeven: 04-09-2017

Dr. C. van der Werf
Cardioloog i.o.
Academisch Medisch Centrum, Amsterdam


In een bloedheet Barcelona stond het ESC congres dit jaar in het teken van de percutane coronaire interventie, die precies 40 jaar geleden werd ontwikkeld door Andreas GrŁntzig. Opvallend waren de innovaties die de congresorganisatie probeert door te voeren, waarvan sommigen geslaagd (presentaties op open ronde podia, wat veel voorbijgangers aantrok, en de mogelijkheid om tijdens een sessie vragen te stellen via de app) en anderen wat minder (1.5 uur durende sessies moeten uitzitten op een oncomfortabele zitzak en nauwelijks te verstane moderated postersessies).

Inhoudelijk was er sprake van een belangrijk aantal positieve trials op zeer uiteenlopende gebieden. Ook op het gebied van ritmestoornissen was dit het geval, waarbij het ditmaal niet device data waren die de meeste aandacht trokken, en waarvan ik er drie zal bespreken.

Eťn van de meest opvallende trials van het gehele congres betrof de CASTLE-AF studie, waarin werd gekeken naar het effect van atriumfibrilleren (AF) ablatie op mortaliteit en rehospitalisatie bij patiŽnten met AF en hartfalen. De geÔncludeerde patiŽnten hadden voornamelijk persisterend AF en hadden allen een linkerventrikelejectiefractie <35% met een ICD of CRT-D met home monitoring. Zij waren symptomatisch (NYHA II of hoger) en verdroegen minimaal 1 antiaritmicum niet of weigerden deze in te nemen. Na 5 jaar was er een 38% relatieve risicoreductie van het primaire eindpunt in de patiŽnten die een AF ablatie ondergingen, waarbij zowel mortaliteit als rehospitalisatie ook afzonderlijk significant afnamen. In de ablatiegroep bleek tevens een significante afname van de AF burden en een toename van de linkerventrikelejectiefractie van 8%. Het verschil in mortaliteit begon te ontstaan vanaf ongeveer 3 jaar en het verschil in hospitalisatie vanaf ongeveer 6 maanden. Hoewel de resultaten van deze studie met veel enthousiasme werden ontvangen, werd er door verschillende experts ook gewezen op het belang van goede selectie van patiŽnten waarop deze resultaten waarschijnlijk van toepassing zijn. Naar horen zeggen werd namelijk maar ongeveer 12% van de gescreende patiŽnten uiteindelijk geÔncludeerd in de studie. De geÔncludeerde patenten waren namelijk relatief jong en mild symptomatisch.

Dit jaars Nederlandse trots betrof, behalve de 8 Nederlandse collegaís die in 8 dagen van Limburg naar Barcelona fietsten, de presentatie van de Groningse RACE 3 trial. In de afgelopen jaren is steeds meer duidelijk geworden dat vele niet primair cardiale factoren, zoals hypertensie, obesitas en lichamelijke conditie, een belangrijke impact hebben op het opreden van AF. Interventies om deze factoren te modificeren zijn zinvol gebleken in het reduceren van recidieven van atriumfibrilleren en daarmee gepaard gaande klachten. In dit licht werd in de RACE 3 studie onderzocht of een vroege interventie beter was dan conventionele therapie bij patiŽnten met persisterend AF en mild tot matig hartfalen. De vroege interventie bestond uit hartrevalidatie en het starten van een mineraloid receptor antagonist, een statine en een ACE remmer of angiotensine-II receptor antagonist.

Na 3 weken ondergingen alle patiŽnten een elektrocardioversie. Vervolgens werd gekeken naar het behoud van sinusritme gedurende een follow-upduur van 1 jaar. Dit eindpunt was significant in het voordeel van de vroege interventiegroep (75% vs. 63%). De resultaten van deze studie zullen de focus op het modificeren van factoren die weer invloed hebben op AF waarschijnlijk nog verder versterken.

Op het gebied van reanimatie was er de presentatie van de CAAM studie, waarin invasieve beademing middels intubatie werd vergeleken met non-invasieve kapbeademing bij patiŽnten met een out-of-hospital cardiac arrest. Het is duidelijk dat in een reanimatiesetting zowel tijdens basic als advanced life support aandacht moet zijn voor zowel adequate beademing als hartmassage. In de recente jaren is er in studies en de richtlijnen de nadruk steeds meer gelegd op hartmassage, met name aan het begin van de reanimatie. Over de beste wijze van beademing waren tot op heden conflicterende data en dit was dan ook de achtergrond van de CAAM studie. Het primaire eindpunt, een neurologisch goede uitkomst na 28 dagen, was gelijk tussen de twee wijzen van beademing. Bij non-invasieve kapbeademing waren er echter significant meer gevallen waarin dit niet succesvol was (6.7% vs. 2.1%) en was er vaker sprake van aspiratie (15.2% vs. 7.5%). Het is derhalve veiliger en dus aan te bevelen om bij advanced life support over te gaan tot intubatie.†

« Vorige pagina