Behandelingsstrategieën bij Diabetes Mellitus Type 2 anno 2010
Uitgegeven: 14-04-2010
![]() | Dr. A. Kooy Internist Ziekenhuis Bethesda, Hoogeveen |
|
» Deel 1 van Dossier DM-Type-2. Nieuwe middelen als aanvulling op een gevestigde orde?’ De medicamenteuze therapie: de gevestigde ordeDe in 2006 gepubliceerde richtlijn voor de behandeling van DM2 kenmerkt zich door een stappenplan, ten dele gebaseerd op gerandomiseerde, placebogecontroleerde onderzoeken met een goede bewijskracht (Tabel 1.).(1) Daarbij ligt het eerste aangrijpingspunt in het terugdringen van de insulineresistentie. Naast de centrale plaats van metformine heeft pioglitazon een bescheiden plaats op basis van de PROactive Studie bij patiënten met DM2 en hart- en vaatziekte zonder hartfalen.(2)Medicamenteuze therapie: de nieuwe geneesmiddelen aangrijpend op het incretinesysteemIn het licht van de ontwikkeling van nieuwe middelen staat het incretinesysteem in de belangstelling. Voor het begrip van de manier waarop deze middelen werken volgt eerst een korte uitleg over dit systeem.Het incretinesysteem: de fysiologieDarmhormonen (incretines) zijn belangrijk voor het onderhouden van het insulineproducerend vermogen (ß-cel massa), alsmede voor de momentane afgifte van insuline tijdens de maaltijd.3-9 Circa 60 – 70% van de met de maaltijd gerelateerde insulineafgifte blijkt afhankelijk van incretines. Eetlust en maaglediging nemen af onder invloed van deze darmhormonen.(3-6)Tijdens de inname van voeding ontstaat een snelle afgifte van de incretines GLP-1 (Glucagon Like Peptide Type 1) en GIP (= Glucose-dependant Insulinotropic Polypeptide) vanuit verschillende locaties in de darmwand. Deze afgifte vindt plaats via neurohumorale mechanismen, vanuit het darmstelsel zelf en het centrale zenuwstelsel (hypothalamus). Na afgifte vinden de incretines vervolgens snel hun weg via de bloedbaan naar de alvleesklier. Daar stimuleren zij bij hoge bloedsuikers de insulineafgifte door de ß-cel en tegelijkertijd remmen ze de glucagonafgifte door de a-cel. Dit duale samenspel in één mechanisme en de glucoseafhankelijkheid daarvan zijn essentieel voor het onderhouden van normoglycemie. Die aansturing vindt niet alleen plaats ‘van boven’ bij hoge bloedsuikers (-> meer insuline en minder glucagon) maar ook ‘van onderen’ bij lage bloedsuikers (-> minder insuline en meer glucagon). Een intact incretinesysteem functioneert als een fijnzinnig ‘titratiesysteem’ om de bloedsuikerwaarden binnen een smalle bandbreedte te houden. De glucoseafhankelijkheid van het werkingsmechanisme is daarbij de essentie (Figuur 1). Figuur 1. De fysiologie van de glucoseregulatie via incretines tijdens de maaltijd Het duale regulatiemechanisme via het ‘incretinesysteem’ van de glucosehuishouding tijdens de maaltijd: glucoseafhankelijkheid van werking via de a-cel en ß-cel, via glucagon en insuline. De incretines hebben fysiologisch een korte halfwaardetijd van ½ tot 2 minuten, bepaald door de activiteit van het sleutelenzym Dipeptidyl Peptidase type 4 (DPP-4), aanwezig in organen en weefsels, inclusief het darmslijmvlies. Het incretinesysteem: gestoord bij DM2GLP-1 wordt minder afgegeven tijdens het (latere) beloop van DM2. De werkzaamheid van GLP-1 op de insulineafgifte is bij DM2 vergelijkbaar met die bij mensen met een normale glucosetolerantie. Daarentegen blijkt bij DM2 wel een GIP resistentie.(5) Dus vooral een GLP-1-tekort en een GIP resistentie spelen mogelijk een rol bij de progressie van DM2.(5) De GLP-1 receptoragonisten en DPP-4 remmers hebben ten dele een pathofysiologische basis voor de behandeling van DM2.Tabel 2. toont de geneesmiddelen die aangrijpen op het incretinesysteem. Tabel 3 toont een nader onderscheid tussen de twee nieuwe klassen. De ‘incretin mimetics’Omdat tijdens het (latere) beloop van DM2 de GLP-1 productie verminderd is, en resistentie bestaat voor GIP, is exogene toediening van een GLP-1 analoog een logische behandeling. Dagelijkse injecties beperken het gemak van toediening. Een toedieningwijze met dunne naalden en de afwezigheid van de noodzaak tot frequente glucosemonitoring doen het bezwaar van een dagelijkse injectie relativeren. Gewerkt wordt aan nieuwe preparaten die met grotere intervallen kunnen worden toegediend (week of langer).(10) Zie voor de werking en aangrijpingspunten van de GLP-1 receptoragonisten Figuur 2.Figuur 2. De Werking van GLP-1 analogen (hier: exenatide) en DPP-4-remmers (hier: sitagliptine) bij diabetes mellitus. GLP-1 bindt aan de GLP-1 receptor op de ß-cel in de pancreas. Via cyclisch adenosinemonofosfaat (cAMP) en fosfokinase A (pkA), als ‘tweede boodschappers’, wordt de afgifte van glucose gestimuleerd onder invloed van glucose in het bloed. GLP-1 analogen (exenatide, liraglutide) stimuleren ook de proliferatie en remmen de apoptose van ß-cellen. Indirect remmen zij de afgifte van glucagon bij hoge bloedsuikers. GLP-1 analogen verhogen ook de insulinegevoeligheid in lichaamscellen, vertragen de maaglediging en remmen de eetlust. Exenatide en liraglutide zijn niet gevoelig voor DPP-4. Naar: Kleefstra N, Hateren van KJJ, Houweling ST, Verhoeven S, Kooy A, Goudswaard AN, Bilo HJG. Nieuwe bloedglucoseverlagende middelen bij type 2 diabetes. Ned Tijdschr Geneeskd 2010; 154: 393-402.(11) De ‘incretin enhancers’Modulatie van het endogene incretinesysteem via DPP-4 remming heeft een fraai concept van werking, veelal als toevoeging aan een ander oraal bloedglucose verlagend middel.(12-14) DPP-4 remming verlengt de zeer korte plasmahalfwaardetijd van incretines.Metformine blijft hoeksteen in de behandeling bij oude en nieuwe strategieën, ook als insulinetherapie onvermijdelijk isCombinatiebehandeling met insuline + metformine – de HOME trial.(15-17) Actuele bevindingen tonen dat insuline + metformine op de lange termijn (4 jaar + 4 maanden) meerwaarde heeft versus insuline + placebo: een betere glucoseregulatie met 30% minder insuline, 4-5 kg minder gewichtstoename en 39% minder hart- en vaatziekten (Figuur 3, 4). Elke patiënt met DM2 verdient metformine, ook naast insuline, tenzij een absolute contra-indicatie (GFR < 30 ml/min, leverfalen) zich voordoet.Figuur 3. Ontwikkeling van de dagelijkse insulinebehoefte en het lichaamsgewicht in de tijd onder metformine versus placebo tijdens insulinetherapie bij DM2. Significante verschillen bleken tussen de groepen: insuline dagdosis (grafiek A, p < 0,001), lichaamsgewicht (grafiek B, p < 0,001), nuchtere insulinespiegel in plasma (grafiek C, p = 0,02), BMI (grafiek D, p < 0,001). Kooy et al. Long term effects of metformin on metabolism and microvascular and macrovascular disease in patients with type 2 diabetes mellitus. Arch Intern Med 2009; 169: 616-625. Figuur 4. Overlevingscurves voor het primaire eindpunt (micro + macrovasculair, onderste curvepaar) en het secundaire eindpunt (macrovasculair, bovenste curvepaar). Behandeling met metformine verlaagde significant het risico op het macrovasculaire eindpunt met een hazard ratio van 0,61 (0,40-0,94, p=0,02). ‘The number needed to treat’ om 1 macrovasculair eindpunt te voorkomen was 16 (9-67). Kooy et al. Long term effects of metformin on metabolism and microvascular and macrovascular disease in patients with type 2 diabetes mellitus. Arch Intern Med 2009; 169: 616-25. Oud en nieuw tezamen: welke richtlijn mogen we verwachten anno 2012?Standaarden evolueren vaak met recht langzaam in het licht van nieuwe behandelingsmogelijkheden. Wetenschappelijke verenigingen passen met nieuw bewijsmateriaal uit gedegen studies hun richtlijnen aan. Gelet op de gebleken effectiviteit, gunstige gewichtseffecten en veiligheid (voor een nog beperkte duur van maximaal 3 jaar) zijn de nieuwe middelen veelbelovend, maar nog slechts te rechtvaardigen voor toepassing in een beperkte groep onder nauwgezette monitoring. Nieuwe inzichten kunnen deze positie verbreden. Met de onderbouwde positionering van metformine is het niet ondenkbaar – met het nodige voorbehoud – dat de behandelingsrichtlijn voor DM2 er in de nabije toekomst uit zal zien, zoals getoond in Tabel 4.De positionering van SU-derivaten wordt met de komst van de DPP-4-remmers en de GLP-1-agonisten naar verwachting minder prominent. Nieuwe inzichten rond de veiligheid van TZD’s (verhoogde kans op botfracturen, onzekerheid over veiligheid met betrekking tot hartinfarcten) leiden tot een zekere terughoudendheid bij deze middelen.(18,19) Bevindingen op langere termijn zullen uiteindelijk bijdragen aan de plaatsbepaling van de nieuwe middelen – in het besef dat de bewijsvoering rond de effecten van de actuele SU derivaten en TZD’s op cardiovasculaire morbiditeit en mortaliteit mager is. Literatuur
|








