Accreditatie

Selecteer hier de betreffende toets

» CardioMotief 40

Klik hier voor meer informatie over CardioMotief


VasculairMotief

» VasculairMotief 12

Klik hier voor meer informatie over VasculairMotief

 
Nephsap ASN

6 Accreditatiepunten voor internisten

Internisten kunnen per module 2 punten verwerven door de bijbehorende toetsen te beantwoorden.

NephSAP Module 1 Hypertension

» Pre toets
» Post toets

NephSAP Module 2 Chronic Kidney Disease and Progression

» Pre toets
» Post toets

NephSAP Module 3 Fluid, Electrolytes, and Acid-Base Disturbaces

» Pre toets
» Post toets

» Klik hier voor informatie over de module-inhoud NephSAP


NephSAP is mede mogelijk gemaakt door financiële ondersteuning van
Sanofi-Aventis en Bristol Myers Squibb

 
ACCSAP 7

6 Accreditatiepunten voor internisten

Internisten kunnen 6 punten verwerven door de Pre Study en Post Study toets te beantwoorden van de deelmodule Hypertension and Risk Factor Management.

» Accreditatie ACCSAP 7 Pre Study Toets

» Accreditatie ACCSAP 7 Post Study Toets

» Klik hier voor informatie over de module-inhoud ACCSAP 7 Hypertension


ACCSAP-7 voor Internisten is mede mogelijk gemaakt door financiële ondersteuning van
Sanofi-Aventis en Bristol Myers Squibb

 
Vasculairmotief

» Vasculairmotief 11

Klik hier voor meer informatie over Vasculairmotief

Klik hier om uw resultaten op te vragen.

 

VasculairMotief 12 Treat to Target

1. 1. Calciumantagonisten verlagen het risico van een beroerte sterker dan dat β-blokkers dat doen. Welke onderliggende effectverschillen tussen deze klassen spelen hierbij waarschijnlijk een rol?

A. Effectverschillen in de lange termijn bloeddrukvariabiliteit
B. Effectverschillen in de therapietrouw
C. Effectverschillen in de reductie van de gemiddelde bloeddruk

2. 2. Als bij de behandeling van hypertensie de bloeddruk nog niet op streefwaarde is met drie bloeddrukverlagende middelen – waarvan één een diureticum –, ofwel de patiënt therapieresistente hypertensie heeft, welke therapeutische vervolgstap wordt dan aanbevolen:

A. Een cardioprotectieve β-blokker
B. Een centraal sympathicolyticum
C. Een aldosteronantagonist
D. Een renale sympathicusdenervatie

3. 3. De ‘number needed to treat’ (NNT) om in ruim 4 jaar behandeling met metformine één macrovasculair eindpunt te voorkomen bij patiënten met DM2 is ongeveer:

A. 60
B. 45
C. 30
D. 15

4. 4. De ‘number needed to harm’ (NNH) om in ruim 4 jaar behandeling met metformine een B12-tekort op te lopen bij patiënten met DM2 is ongeveer:

A. 60
B. 45
C. 30
D. 15

5. 5. Waarom zou voor de introductie van metformine in een ‘polypil’ een grondige kosten/baten analyse gerechtvaardigd zijn?

A. Dat moet altijd voor elke component in een polypil
B. Metformine heeft belangrijke bijwerkingen
C. Bij niet obese personen zijn de effecten van metformine verwaarloosbaar

6. 6. Indapamide heeft een gunstiger 24 uurs-werkingsprofiel (1) en een solidere bewijsvoering op harde eindpunten (2) dan hydrochloorthiazide.

A. 1 is onjuist en 2 is juist
B. 1 is juist en 2 is onjuist
C. 1 en 2 zijn juist
D. 1 en 2 zijn onjuist