Accreditatie-vragen

Let op: u kunt de vragen slechts eenmalig beantwoorden.

Voor het beantwoorden van de toetsvragen van de andere delen selecteert u deze pagina.

Klik hier om uw resultaten te bekijken.

VasculairMotief 12 Treat to Target

1. 1. Calciumantagonisten verlagen het risico van een beroerte sterker dan dat β-blokkers dat doen. Welke onderliggende effectverschillen tussen deze klassen spelen hierbij waarschijnlijk een rol?

A. Effectverschillen in de lange termijn bloeddrukvariabiliteit
B. Effectverschillen in de therapietrouw
C. Effectverschillen in de reductie van de gemiddelde bloeddruk

2. 2. Als bij de behandeling van hypertensie de bloeddruk nog niet op streefwaarde is met drie bloeddrukverlagende middelen – waarvan één een diureticum –, ofwel de patiënt therapieresistente hypertensie heeft, welke therapeutische vervolgstap wordt dan aanbevolen:

A. Een cardioprotectieve β-blokker
B. Een centraal sympathicolyticum
C. Een aldosteronantagonist
D. Een renale sympathicusdenervatie

3. 3. De ‘number needed to treat’ (NNT) om in ruim 4 jaar behandeling met metformine één macrovasculair eindpunt te voorkomen bij patiënten met DM2 is ongeveer:

A. 60
B. 45
C. 30
D. 15

4. 4. De ‘number needed to harm’ (NNH) om in ruim 4 jaar behandeling met metformine een B12-tekort op te lopen bij patiënten met DM2 is ongeveer:

A. 60
B. 45
C. 30
D. 15

5. 5. Waarom zou voor de introductie van metformine in een ‘polypil’ een grondige kosten/baten analyse gerechtvaardigd zijn?

A. Dat moet altijd voor elke component in een polypil
B. Metformine heeft belangrijke bijwerkingen
C. Bij niet obese personen zijn de effecten van metformine verwaarloosbaar

6. 6. Indapamide heeft een gunstiger 24 uurs-werkingsprofiel (1) en een solidere bewijsvoering op harde eindpunten (2) dan hydrochloorthiazide.

A. 1 is onjuist en 2 is juist
B. 1 is juist en 2 is onjuist
C. 1 en 2 zijn juist
D. 1 en 2 zijn onjuist